Als patiënt heb je het recht op alle informatie die je een beter inzicht geeft in je gezondheidstoestand en de (vermoedelijke) evolutie ervan. De zorgverlener zal je dus over de diagnose en prognose moeten inlichten. Ook wanneer er geen behandeling mogelijk is of je geen behandeling wenst, heb je het recht op deze informatie.

De zorgverlener moet je in een duidelijke taal informeren. Dat betekent dat hij rekening moet houden met onder andere je leeftijd, je opleiding en je psychische draagkracht. Meestal zal je geïnformeerd worden door middel van een gesprek. Je kan ook vragen om die gegevens op papier te zetten. Bovendien kan je vragen dat de zorgverlener de informatie ook aan je vertrouwenspersoon meedeelt.

Als je niet geïnformeerd wil worden, moet de zorgverlener dit respecteren. Je moet hier wel uitdrukkelijk om vragen. De zorgverlener noteert het verzoek in je patiëntendossier. In een aantal situaties is de zorgverlener alsnog verplicht om je te informeren. De zorgverlener moet je informeren wanneer hij of zij oordeelt dat het niet inlichten je gezondheid of die van derden ernstig in gevaar brengt. Denk bijvoorbeeld aan een besmettelijke ziekte als HIV of hepatitis. In dit geval zal de zorgverlener eerst overleg moeten plegen met een andere zorgverstrekker en met jouw vertrouwenspersoon vooraleer hij beslist om je toch in te lichten.

Wanneer de zorgverlener vermoedt dat bepaalde informatie je gezondheid ernstig kan schaden, kan hij beslissen om je (tijdelijk) niet alles te vertellen. Dit noemt men de ‘therapeutische exceptie’. De zorgverlener moet ook hier vooraf een collega raadplegen en moet een schriftelijke motivering aan je patiëntendossier toevoegen. Heb je een vertrouwenspersoon aangeduid, dan moet de zorgverlener hem ook informeren. Zodra het meedelen van de informatie niet langer een gevaar voor je gezondheid vormt, is de zorgverlener opnieuw verplicht je in te lichten.